Gear

Een fotograaf vragen welke spullen hij gebruikt, is altijd een beetje vreemd. Tenminste als je het mij vraagt. Alhoewel, de fotograaf kan het natuurlijk ook als een verkapt compliment zien. Zo komt het althans op mij over als mensen me vragen naar mijn camera nadat ze mijn foto’s hebben gezien. Fotografie draait echter om zoveel meer dan camera en lens. De meeste parameters die bijdragen aan een mooie foto zijn immers niet te koop; het licht, de plaats en tijd, de creativiteit. Maar goed, ik doe het zelf ook. Waneer ik enthousiast ben over iemand z’n werk dan probeer ik er soms ook achter te komen, op voorhand al wetende dat de apparatuur maar een beperkte bijdrage levert aan het eindresultaat.

Maar is dat eigenlijk wel zo? Laat ik even advocaat van de duivel spelen.

Ik begon met fotograferen met Minolta 35mm camera’s. Simpelweg omdat mijn vader dat systeem vroeger ook gebruikte en nog wat mooi glas op de plank had liggen. Ik vloog in die tijd regelmatig naar Hong Kong en na het werk pakte ik dan soms de boot naar Tsim Sha Tsui. Je had daar een hele wijk met alleen maar camerawinkels — heaven on earth! Alle apparatuur was er een stuk goedkoper dus ik vloog telkens naar huis met pakken kleinbeeldfilm om thuis te oefenen. Van camera’s en lenzen wist ik toen niet veel, maar lol had ik wel.

Le Mans

In diezelfde periode ging ik met een paar goede vrienden voor het eerst naar de 24 uur van Le Mans. Le Mans is een ‘endurance’ autorace met een bijzonder rijke historie. Ik ben bang dat ik toen een beetje verliefd ben worden op de schoonheid van het legendarische evenement. Om auto’s heb ik nooit veel gegeven maar dit was anders. 24 uur racen maakt namelijk alles kappot; Het ‘sloopt’ auto’s, coureurs en mecaniciens. En ook het publiek. Het was dé race van het Franse (en Engelse) volk. Vaders namen hun zoons mee en dat herhaalde zich al sinds 1923. Vooral het racen door de nacht was magisch! Naar bed gaan was eigenlijk onmogelijk. Ik vond het prachtig en iedereen, waaronder de coureurs, leken nog benaderbaar te zijn ook.

De rolletjes 35mm-film vlogen er doorheen. Echter, op minstens de helft van mijn foto’s stond een hek. Of alleen de achterkant van een auto. En dat scannen schoot ook al niet op. Dus al snel moest dat anders. Ik wilde voor het hek fotograferen. Ik kocht mijn eerste DSLR. Een Canon. Het was begin 2003 en Canon had net de EOS 10D aangekondigd. 6.3-megapixel. Ik stapte over van film naar digitaal.

Jaren lang schoot ik Le Mans, en andere races, met Canon DSLRs zoals de 1DmkII en III en de 5DmkII, toen het beste (enige) gereedschap voor sportfotografen zoals ik. M’n droom was uitgekomen en als geaccrediteerd FIA en ACO fotograaf schoot ik de mooiste beelden van vermoeide en met smeer besmeurde mecaniciens, en van gehavende raceauto’s die met veel kabaal in de nacht verdwenen. Maar de liefde voor zowel de langeafstandsraces als voor de fotografie verdween na enkele jaren.

Doorstart

Het duurde echter niet lang voordat ik het fotograferen miste. Ik was nog steeds veel op reis voor mijn werk, en ook privé pakte ik inmiddels regelmatig een rugtas in om weer eens een exotisch land te verkennen. Ik had behoefte aan een compacte en lichte camera en zo begon de zoektocht naar het systeem wat het beste bij mij zou passen. Ik wist eigenlijk niet goed wat ik zocht en verloor uit oog waar het om zou moeten draaien; fotograferen is immers mijn hobby dus het zou vooral om plezier moeten draaien en niks anders.

Ik kocht de verkeerde camera’s. Eerst de G-series van Canon. En later de RX-en van Sony. Maar het werd een gevecht. Camera’s met een eindeloze rits opties verborgen in onbekende menu’s en onder kleine knopjes. Nee, dit was niks. Ik was terug bij af en weer op zoek. Terug naar Canon was geen optie. Zielloos vond ik mijn laatste Canons. De nieuwe Sony A7 dan? Echt niet. Ik probeerde ‘m maar verdwaalde in de menu’s en kon de camera niet eenvoudig naar mijn hand zetten. Ik stond op het punt om te kiezen voor de Olympus OM-D maar twijfelde. En toen zette Fujifilm de X-T1 op de markt.

Fujifilm X-series

Ik kocht direct de versie met kit lens en was verkocht. En schrijf ‘verkocht’ maar met hoofdletters hoor. Perfect was de camera zeker niet, maar de X-T1 had in ieder geval ‘een ziel’. Voor ik het wist kon ik er mee lezen en schrijven. De liefde was terug. Binnen no-time had ik een heel arsenaal aan Fujinon lezen, het glas dat Fujifilm maakt is prachtig. De kit lens verkocht ik maar mijn 14mm, 23mm en 56mm sleepte ik overal mee naartoe.

De sportfotografie was een gepasseerd station — ik vond het nu vooral leuk om een verhaal te vertellen en een sfeer te kunnen schetsen met mijn beelden. Documentaire-fotografie is de nieuwe liefde.

Al snel werd ik gevraagd om wat werk voor derden te doen. Bij een van die klussen moest ik een maand of drie werken met de camera’s van een ander merk, een merk dat hard op weg was de DSLR markt te veroveren. ‘Sponsorverplichtingen.’ Het werd een ramp. Een constant gevecht tussen de creativiteit, het moment, en de camera’s. Ik heb me voorgenomen om dit niet meer te doen. Gelukkig nam ik tijdens het scouten de X-T1 mee.

De ziel staat niet in de spec-sheet

Terug naar de titel; tja, cameraapparatuur is dus belangrijk. Maar dan wel in de zin dat het systeem je vooral moet uitnodigen om lekker te gaan fotograferen. Een camera kan nog zo goed zijn op papier, maar zolang je niet kunt lezen of schrijven met dat ding dan heb je er niks aan. Staar je dus vooral niet blind op specificaties zoals de hoeveelheid megapixels en het sensorformaat. Kijk vooral naar wat de camera met jóu doet. Dat is waarom ík sinds die X-T1 exclusief met Fujifilm schiet en anderen adviseer of uitdaag het te overwegen.

Ik hou dus van knoppen, schakelaars, draairingen en wieltjes. Het moet intuïtief en tastbaar zijn. Noem het maar ‘retro’ of ouderwets. Als het moment telt dan is niks sneller en fijner dan een fysieke knop of een draaiwiel.

En ik hou van de filosofie die Fujifilm hanteert; het product is nooit af en de firmware updates van de Japanse firma zijn veelzeggend; er worden niet alleen foutjes mee opgelost maar de Japanners introduceren via die software updates zelfs nieuwe of sterk verbeterde functies. Het geeft me een aangenaam gevoel te weten dat een product niet al direct oud is als het de winkel verlaat, en ook de zekerheid dat een fabrikant niet bang is om verbeteringen in een bestaande camera te stoppen in plaats van in een toekomstig model. Het komt op mij over als een soort van wederzijds respect tussen fabrikant en consument.

Camera vs. Systeem

Ten slotte, het draait natuurlijk niet alleen om de camera maar vooral om het systeem. Ik ben geen groot fan van van zooms, en gebruik die dus ook niet vaak. Daarom was ik enorm verheugd met de ruime keuze aan mooie objectieven. Soms pakte ik de 27mm pancake. De X-T1 en X-T2 zijn zó compact met die lens. En soms de 23mm F1.4 of 56mm F1.2 als ik voor het best mogelijke ga.

De mooiste ‘prime’ voor de X-series? Als je het mij vraagt, de XF23 F1.4. Maar helaas is die inmiddels van de troon gestoten. Als ik nu op 35mm (FF equivalent) schiet dan pak ik inmiddels vaker de GF45 F2.8. Er is natuurlijk altijd betere apparatuur, en die GFX is magisch.

Ben je op zoek naar een camera of lens? Koop dan in ieder geval nooit zonder het in je hand te hebben gehad. Het liefst speel je er een dag of wat mee. Of in ieder geval een uur. Doe dat vooral als het je eerste aankoop binnen een systeem is. En nog een advies, luister vooral niet naar ‘pixel-peepers’, mensen die zich blind staren op de technische aspecten van fotografie. Het draait immers om het plezier wat je hebt van zo’n camera, en de liefde voor, en de ziel van je nieuwe aankoop (al is de Fujifilm GFX-50S met GF glas op het moment van schrijven het beste antwoord op die pixel-peepers haha).


Vrijwel alle galeries op deze website van na 2014 zijn met een van mijn Fujifilm X-series camera’s gemaakt (X-T1, X-T2, X100F). In 2018 stapte ik deels over op medium formaat (GFX). Die galleries herken je aan de beelden op 4:3 formaat.