Slapen op 4.500 meter hoogte

Na een koude wasbeurt ‘s ochtends, het water stroomt zo van de gletsjer je wasbak in, ben ik nog even gaan lopen in een ouder deel van het drop. Het is fris buiten maar de zon is al sterk. Al die vrolijke kids die onderweg zijn naar school en oude mannetjes die voor een van de meerdere moskeeën hangen.

Kids onderweg naar school.
Kids onderweg naar school.

Het dorp is eigenlijk een grote plantage. Het staat vol met bloemen en je ruikt de lucht van de verse oogst, vermengd met munt en andere kruiden. Ik gebruik de lange en wiebelige hangbrug om een blauwe rivier over te steken. De paadjes worden steeds smaller en uiteindelijk kom ik in het hart van dit stukje dorp uit. Er staat een oude moskee. Helemaal van hout gemaakt. Ik hang er even rond. Kinderen krijgen koran les op een vlonder voor de moskee.

Onder de oude abrikozenbomen bereiden oude vrouwtjes voedsel in enorme schalen. Het ziet er mooi uit maar eigenlijk is het een triest aanzicht omdat ze vooral plastic afval als brandstof gebruiken. Zwarte walmen stijgen op van onder de schaal. Dat kan nooit goed zijn.

Het oude dorpje bestaat vooral uit paadjes die parallel aan elkaar lopen, echter telkens op een andere hoogte. Het ligt immers op de flanken van een steile helling met extreem hoge toppen zoals de K2 in de nabijheid.

Als ik terug loop kom ik Tashi tegen. Hij is ook wakker en het is tijd om te gaan rijden. We volgen vandaag de rivier Shyok voor een groot deel en rijden ten Noorden van Leh richting het Zuid-Oosten, naar de grens met de Tibetaanse Autonome Regio ofwel China. De eindbestemming van vandaag is Pangong Tso, een groot zoutwater meer (134 kilometer lang) dat op zo’n 4.350 meter hoogte ligt. Een deel van het meer hoort bij China, en kleiner deel bij India.

De Shyok vallei
De Shyok vallei

Ook hier geld weer dat de grenzen spanningen opleveren. India vindt kennelijk dat haar grondgebied nog 20 kilometer verder naar het zuiden strekt en China niet. Kortom het gebied zal wel weer bezaaid zijn met allerlei militaire bases and installaties. Op sommige dagen kom je zo 100 of 150 legertrucks tegen, sommige trekken enorme houwitsers voort.

Terug naar Turtuk. Tashi en ik besluiten om te ontbijten langs de weg richting Diskit. We rijden door de dezelfde mooie omgeving die we gisteren al zag. Het zijn landschappen waardoor je wel in een God of schepper moet geloven. Alles is zo onvoorstelbaar indrukwekkend.

Tashi aan het stuur.
Tashi aan het stuur.

Eigenlijk was Turtuk niet de ‘bestemming’ maar meer de reden om dat stuk te rijden. Ik geloof ook dat ik vet mazzel heb. De toppen hebben een laag verse sneeuw, slechts een week oud, zelfs op de grote hoogtes hier ligt er niet het hele jaar door sneeuw. Het zal wel met de ligging te maken hebben want het landschap lijkt verder meer op een woestijn.

Die kleuren!
Die kleuren!

Verder heb ik onwijs mazzel. Mazzel dat de bladeren aan de bomen goud kleuren. Dat geeft zo’n mooi effect zo vlak naast de felblauwe rivieren. Normaal zijn dat vaak crèmekleurige modderstromen omdat bij hogere temperaturen de gletsjers zo hard smelten dat er een hoop modder mee naar beneden komt. Ten slotte, en dat was precies de bedoeling, zijn er geen toeristen afgezien van een paar Indiërs. Ik ben bijvoorbeeld in Turtuk alleen een Italiaanse tegen gekomen.

Onderweg naar Pangong Tso.
Onderweg naar Pangong Tso.

Wat de valleien zo mooi maakt is vooral de steilheid van de helingen. Vanaf de valleibodem gaat het recht omhoog tot een kilometer of vijf, zes hoog. Nooit verveeld het. Zelfs als je even moet vechten tegen de slaap doe je er alles aan om wakker te blijven. Bizar ook dicht de wegen langs zulke toppen lopen. Je kunt zien dat er enorm veel werk is gestoken aan de aanleg. Niet dat het mooie wegen zijn, het is meer off-road rijden op een spannend pad. Ik dacht nog: zouden deze wegen er niet juist zijn omdat ze van strategisch belang zijn voor het leger? Zonder logistiek win je niks.

Vlak voor Pangong Tso.
Hoogtevlaktes.

Vlakbij Diskit eten we wat en Tashi moet tanken. Dat gaat als volgt. Je moet eerst het meest onmogelijke keienpad op. Omhoog. Daar staat de pomp. Vervolgens toeter je een paar keer zodat de bediende wakker wordt. Die komt z’n schuurtje uit en schreeuwt wat je moet. Vervolgens start ‘ie een oude dieselmotor. Net zo’n ding als op onze boot. Kennelijk is dat de pomp. Pas daarna kun je tanken op een pomp die al half ontbonden is.

We rijden door. Uren lang. Langs de mooiste landschappen van rots en steen. Bij een grote gebedsmolen in Durbuk, midden in een militaire basis, hebben ze een weggetje rechtsaf gemaakt. Als een goede boeddhist slaat Tashi rechtsaf en we rijden met de klok mee om het wiel heen. In hetzelfde dorpje zie ik gigantische bergen zand. Een soort duinen maar dan hard. Echt honderden meters hoog.

Veel beter dan dit wordt de weg niet.

De landschappen die we onderweg zien kunnen zowel een stuk woestijn met stuifzand zijn, een gebied met gigantische keien en rotsen of een bruin-groene alpenweide met mos en gras en kleine stroompjes. Uiteindelijk wordt het landschap steeds kaler. Na vele uren rijden zijn we bijna bij het meer. Vlak voordat we er zijn zien we nog steenbokken en wilde pony’s. Super mooi. Ze komen naar beneden omdat de toeristen weg zijn en het boven kouder wordt.

Wilde pony’s.

De weg is op zich te doen. Al zijn er hele stukken soms weggeslagen door steen en modderlawines en moeten we voorzichtig zijn dat we de auto niet aan gort rijden. Soms is er dan een hobbelig nieuw pad gemaakt, vaak zo een halve kilometer lang en soms hebben ze de weg uitgegraven. In dat geval rij je soms tussen meters hoge muren van modder en keien wat zo van de berg is af gegleden. Verkeer zijn we vandaag ook niet tegengekomen. Het seizoen lijkt echt voorbij.

Beetje graven na zo’n modderlawine. We zien er tientallen.

In de verte zie ik het uitgestrekte Pangong Tso al, maar eerst moeten we nog langs een legerbasis. Het meer is indrukwekkend. Groot en mooie besneeuwde toppen rondom. Hoge toppen ook. Het landschap is enorm wijds. Sommige pieken liggen misschien wel op 100 kilometer afstand.

De temperatuur was onderweg best aangenaam. Al wordt het hier boven de 4.300 meter flink kouder. De gure wind maakt het er ook niet beter op. Ik ben benieuwd hoe dat is als de zon straks verdwijnt.

Tashi en ik rijden nog naar een uitkijkpunt en daar maak ik nog wat foto’s. De zon is inmiddels bijna onder en zelfs met al mijn winterkleding aan is het bijna niet te doen. Ik slaap in een simpel hutje. Alles is simpel hier trouwens. Van achter het raam staar ik naar de bergen. Ze worden roze van de zon. Voor me zie ik nog hoe een monnik in een kleine Suzuki met zijn auto de heuvel op drift. De stenen en stof vliegen alle kanten op. Zag ik dat nou goed?

Pangong Tso.
Pangong Tso.

Vroeg in de avond loop ik van m’n steenkoude kamer naar de ‘kantine’. Ik kan door de ramen van de andere stenen hutjes naar binnen gluren. Veel toeristen zijn er niet meer, een handjevol schat ik. De mensen in de hutjes, voor Indiase toeristen, liggen met al hun kleren aan en mutsen op onder zes dekens. Ik denk dat iedereen straks snel wat te eten neemt en dan meteen onder de dekens kruipt.

In de eetzaal ben de enige buitenlandse toerist. Er lopen twee koters rond die minsten drie keer zoveel eten als ik. Tonnetje rond zijn ze. De nieuwe Indische welvaartsklasse. Ik hoop voor die koters dat die speklaag ze helpt om een beetje warm te blijven zo. Het vriest buiten inmiddels zo hard dat de plassen met brak water al bevriezen.

Pangong Tso. Het laatste beetje leven.

De morgen erna word ik wakken. Ik heb lekker geslapen in m’n steenkoude hutje. Er lagen dekens voor twee en die heb ik dus mooi allemaal gebruikt. Gek genoeg was het vanmorgen helemaal niet zo koud, een deel kun je wel toeschrijven aan de vermoeidheid. De meeste kleine maar zilte riviertjes zijn vannacht bevroren, dus koud was het zeker.

Vanmorgen om half zes keek ik nog even uit het raam, zal ik nog een paar foto’s gaan maken of niet? Maar de zon kwam precies op aan de overkant van het meer en het was nog best een stukje lopen. Om zeven uur werd er op de deur gebonkt, een emmer warm water. Die koelt super snel af dus meteen er maar uit om te ‘douchen’. De zon was inmiddels ook op en meteen erg krachtig. Het lijkt wel op de warmte van zo’n terrasverwarming. Koud voelde ik me niet meer en het diepblauwe meer is nu prachtig.

Geef een reactie